Conjugate "aanlanden" - Dutch conjugation
"aanlanden" conjugation
onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik land aanjij (je) landt aan
hij/zij/het landt aan
wij (we) landen aan
jullie landen aan
zij (ze) landen aan
onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik landde aanjij (je) landde aan
hij/zij/het landde aan
wij (we) landden aan
jullie landden aan
zij (ze) landden aan
voltooid verleden tijd (vvt)
ik was aangelandjij (je) was aangeland
hij/zij/het was aangeland
wij (we) waren aangeland
jullie waren aangeland
zij (ze) waren aangeland
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal aanlandenjij (je) zult aanlanden
hij/zij/het zal aanlanden
wij (we) zullen aanlanden
jullie zullen aanlanden
zij (ze) zullen aanlanden
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal aangeland zijnjij (je) zult aangeland zijn
hij/zij/het zal aangeland zijn
wij (we) zullen aangeland zijn
jullie zullen aangeland zijn
zij (ze) zullen aangeland zijn
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou aanlandenjij (je) zou aanlanden
hij/zij/het zou aanlanden
wij (we) zouden aanlanden
jullie zouden aanlanden
zij (ze) zouden aanlanden
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou aangeland zijnjij (je) zou aangeland zijn
hij/zij/het zou aangeland zijn
wij (we) zouden aangeland zijn
jullie zouden aangeland zijn
zij (ze) zouden aangeland zijn
gebiedende wijs
jij (je) land aanjullie land aan
onvoltooid deelwoord
aanlandendvoltooid deelwoord
aangelandTranslations (English) for "aanlanden"
Sample sentences (Dutch) for "aanlanden"
aanlanden
aanlanden