to rejoin: English-Dutch conjugation

Infinitive: to rejoin (Conjugation table)

Present

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik dupliceer

you rejoin

jij (je) dupliceert

he/she/it rejoins

hij/zij/het dupliceert
wij (we) dupliceren

you rejoin

jullie dupliceren

they rejoin

zij (ze) dupliceren

Present continuous

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik dupliceer
jij (je) dupliceert

he/she/it is rejoining

hij/zij/het dupliceert
wij (we) dupliceren
jullie dupliceren
zij (ze) dupliceren

Simple past

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik dupliceerde
jij (je) dupliceerde

he/she/it rejoined

hij/zij/het dupliceerde
wij (we) dupliceerden
jullie dupliceerden
zij (ze) dupliceerden

Past continuous

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik dupliceerde
jij (je) dupliceerde

he/she/it was rejoining

hij/zij/het dupliceerde
wij (we) dupliceerden
jullie dupliceerden
zij (ze) dupliceerden

Present perfect

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gedupliceerd
jij (je) hebt gedupliceerd

he/she/it has rejoined

hij/zij/het heeft gedupliceerd
wij (we) hebben gedupliceerd
jullie hebben gedupliceerd
zij (ze) hebben gedupliceerd

Present perfect continuous

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gedupliceerd
jij (je) hebt gedupliceerd
hij/zij/het heeft gedupliceerd
wij (we) hebben gedupliceerd
jullie hebben gedupliceerd
zij (ze) hebben gedupliceerd

Past perfect

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gedupliceerd
jij (je) had gedupliceerd

he/she/it had rejoined

hij/zij/het had gedupliceerd
wij (we) hadden gedupliceerd
jullie hadden gedupliceerd
zij (ze) hadden gedupliceerd

Past perfect continuous

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gedupliceerd
jij (je) had gedupliceerd
hij/zij/het had gedupliceerd
wij (we) hadden gedupliceerd
jullie hadden gedupliceerd
zij (ze) hadden gedupliceerd

Future

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal dupliceren
jij (je) zult dupliceren

he/she/it will rejoin

hij/zij/het zal dupliceren
wij (we) zullen dupliceren
jullie zullen dupliceren
zij (ze) zullen dupliceren

Future

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou dupliceren
jij (je) zou dupliceren

he/she/it will rejoin

hij/zij/het zou dupliceren
wij (we) zouden dupliceren
jullie zouden dupliceren
zij (ze) zouden dupliceren

Future continuous

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal dupliceren
jij (je) zult dupliceren
hij/zij/het zal dupliceren
wij (we) zullen dupliceren
jullie zullen dupliceren
zij (ze) zullen dupliceren

Future perfect

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gedupliceerd hebben
jij (je) zult gedupliceerd hebben
hij/zij/het zal gedupliceerd hebben
wij (we) zullen gedupliceerd hebben
jullie zullen gedupliceerd hebben
zij (ze) zullen gedupliceerd hebben

Future perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gedupliceerd hebben
jij (je) zou gedupliceerd hebben
hij/zij/het zou gedupliceerd hebben
wij (we) zouden gedupliceerd hebben
jullie zouden gedupliceerd hebben
zij (ze) zouden gedupliceerd hebben

Future perfect continuous

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gedupliceerd hebben
jij (je) zult gedupliceerd hebben
hij/zij/het zal gedupliceerd hebben
wij (we) zullen gedupliceerd hebben
jullie zullen gedupliceerd hebben
zij (ze) zullen gedupliceerd hebben

Conditional present

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou dupliceren
jij (je) zou dupliceren

he/she/it would rejoin

hij/zij/het zou dupliceren
wij (we) zouden dupliceren
jullie zouden dupliceren
zij (ze) zouden dupliceren

Conditional perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gedupliceerd hebben
jij (je) zou gedupliceerd hebben
hij/zij/het zou gedupliceerd hebben
wij (we) zouden gedupliceerd hebben
jullie zouden gedupliceerd hebben
zij (ze) zouden gedupliceerd hebben

Conditional present progressive

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou dupliceren
jij (je) zou dupliceren
hij/zij/het zou dupliceren
wij (we) zouden dupliceren
jullie zouden dupliceren
zij (ze) zouden dupliceren

Conditional perfect progressive

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gedupliceerd hebben
jij (je) zou gedupliceerd hebben
hij/zij/het zou gedupliceerd hebben
wij (we) zouden gedupliceerd hebben
jullie zouden gedupliceerd hebben
zij (ze) zouden gedupliceerd hebben

Imperative

gebiedende wijs

you rejoin

jij (je) dupliceer

you rejoin

jullie dupliceer

Present participle

onvoltooid deelwoord
duplicerend

Past participle

voltooid deelwoord
gedupliceerd