Summary
afgaan {verb}
to absent oneself · to see · to leave · to fire · to call on · to attend · to go off · to go away · to depart
Dutch-English translation for "afgaan"
"afgaan" English translation
afgaan {verb}
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: wegblijven, vertrekken, weggaan, zich verwijderen)
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: zien, treffen, zorgen, zorg dragen)
Hij zag de bom afgaan boven Nagasaki.
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: vertrekken, weggaan, zich verwijderen, laten begaan)
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: aanwakkeren, ontzetten, verlevendigen, vuren)
... ongeluk zou afgaan.
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: aangaan bij, bezoeken, opzoeken)
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: verplegen, verzorgen, zorgen voor, bezoeken)
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: aftakelen, gebrekkig worden, in verval raken, vervallen)
Hij zag de bom afgaan boven Nagasaki.
Ik wil de commissaris vragen om morgen in zijn reactie op die kwestie in te gaan, aangezien het een tijdbom is die elk moment kan afgaan.
Het is onmogelijk een maatschappij te vormen terwijl overal bommen afgaan.
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: vertrekken, weggaan, zich verwijderen)
afgaan [ging af|afgegaan] {vb} (also: vertrekken, weggaan, zich verwijderen, op reis gaan)
Usage examples
Usage examples for "afgaan" in English
Similar words
affectie · affiche · affidavit · affiliëren · affiniteit · affix · affodil · affront · affronteren · affuit · afgaan · afgang · afgebakend · afgebeeld · afgebouwd · afgebroken · afgedaan · afgehaald · afgehandeld · afgeknot · afgekort
Moreover bab.la provides the Japanese-English dictionary for more translations.