Summary
aflopen {verb}
to peal · to end up · to pass through · to go through · to stoop · to expire · to end · to ring · to cover · to come to an end · to traipse
Dutch-English translation for "aflopen"
"aflopen" English translation
aflopen {verb}
aflopen {vb} (also: afleggen, gaan door, doorgaan)
aflopen {vb} (also: ervaren, ondervinden, beleven, doormaken)
Het is natuurlijk al tien jaar bekend dat de quota aflopen en misschien had de industrie zich daarop beter kunnen voorbereiden.
Dus wij moeten in Europa ook voor het aflopen van het patent de onderzoeksvrijstelling voor generieke geneesmiddelen instellen.
Het steunmechanisme zou in elk geval aflopen op 31 maart 2004, de datum waarop de WTO-procedure naar verwachting zou zijn afgerond.
aflopen.
In februari van dit jaar zou de vorige periode van de kredietverlening aflopen.
De eerste stuurman denkt: "Op een bepaald moment moet de repetitie aflopen, niet?"
Zonder nieuw besluit zou deze regeling aan het einde van dit jaar aflopen.
Vele sceptici hebben gezegd dat als de euro er zou komen, het dan waarschijnlijk droevig zou aflopen.
De meeste meerjarige programma's zullen eind 2006 aflopen.
We weten dat het mandaat van de huidige Commissie uiterlijk aan het einde van dit jaar zal aflopen.
aflopen {vb} (also: uitraken, ophouden, eindigen, uitgaan)
Dat globale programma zal aan het eind van het volgend jaar in werking kunnen treden, wanneer de programma's Caleidoscoop en Ariane aflopen.
aflopen {vb} (also: slenteren, sjouwen)
Usage examples
Usage examples for "aflopen" in English
Similar words
afleidingsmanoeuvre · afleren · afleveren · aflevering · aflevertijden · aflezen · aflijnen · aflikken · afloop · afloopdatum · aflopen · aflopend · aflosbaar · aflossen · aflossing · aflossingsvrij · afluisteren · afmaken · afmarcheren · afmatten · afmelden
Have a look at the English-Italian dictionary by bab.la.