Dutch-English translation for "bakken"
"bakken" English translation
bakken {verb}
bakken [bakte|gebakken] {vb} (also: afgaan, aanwakkeren, ontzetten, verlevendigen)
bakken [bakte|gebakken] {vb} (also: koken)
Hoe ga je nu je kip bakken?
Een andere belangrijke factor die ik aanvankelijk niet in rekening bracht, was de duur van het bakken.
Tenslotte zei de Chinese wijsgeer Lao Tzu: "Een groot land besturen is als het bakken van een kleine vis.
bakken [bakte|gebakken] {vb} (also: fruiten)
ik zeg: “Terry, alsjeblieft, ik probeer hier een ei te bakken.
Ik kan het spek mee naar huis nemen, het bakken in de pan en je nooit doen vergeten wat je bent: een man."
bakken [bakte|gebakken] {vb} (also: roosteren, verhoren, grillen, stevig aan de tand voelen)
bakken [bakte|gebakken] {v.t.}
In Duitsland heeft men onlangs bijvoorbeeld het bakken van broodjes op zondagochtend toegelaten.
Dus ga ik brood voor jullie bakken.
Kun je brood bakken?
Dus in plaats van al dat arbeidsintensief diëten en sporten, moeten we enkel wachten tot zij dik worden, en misschien enkele taarten bakken.
Usage examples
Usage examples for "bakken" in English
Similar words
baken · baker · bakeren · bakerkind · bakermat · bakerpraat · bakfiets · bakkebaard · bakkebaarden · bakkeleien · bakken · bakker · bakkerij · bakkerswinkel · bakkes · baklava · bakmeel · Bakoe · bakoven · bakpan · bakpoeder
More translations in the Swedish-English dictionary.