Dutch-English translation for "kleinigheid"
"kleinigheid" English translation
kleinigheid {noun}
kleinigheid {de} (also: bijzonderheid, detail)
Mijnheer Pirker noemt dat een kleinigheid, voor mij lijkt het een ramp.
Voorzitter, de kleinste kleinigheid is in het huidige onrustige en onzekere Indonesië genoeg om een uitbarsting van etnisch of religieus
Onze aarzelende onderhandelingspolitiek en die puntjes die wellicht hier en daar een kleinigheid oplossen, laten het hoofdprobleem buiten
kleinigheid {de} (also: wissewasje, futiliteit, beuzelarij, bagatel)
Dat is geen kleinigheid want de diversiteit van onze tradities en onze culturen blijkt duidelijk zodra wij de problemen inzake bio...
Usage examples
Usage examples for "kleinigheid" in English
De lokale vertegenwoordiger van de Commissie moest elke kleinigheid in Brussel navragen, omdat de Commissie in Brussel bang was fouten te maken.
Om als Parlement de echte grote problemen te kunnen oplossen mogen we ons niet bij zo'n kleinigheid als het statuut al laten behandelen als marionetten.
Als wij nu - dat is automatisch het gevolg - met interventiehoeveelheden van zowat een miljoen ton te maken krijgen, is dat geen kleinigheid.
We deden dat een jaar voordat de eerste klinische test, gefinancierd voor miljoenen dollars door de NIH, door een kleinigheid mislukte vorige week, en het aankondigde.
Ook dit, het vastleggen van dezelfde standaarden voor financieel beheer, was geen kleinigheid en kwam voor deze internationale organisatie zo ongeveer neer op een culturele revolutie.
Similar words
kleinburgerlijk · kleindochter · kleine · kleiner · kleiner-danteken · kleinere · kleineren · kleingeestig · kleingeestigheid · kleinhandelaar · kleinigheid · kleinkind · kleinmaken · kleinood · kleinschaligheid · kleinste · kleinzoon · klem · klembord · klemmen · klemtoon
Search for more words in the Czech-English dictionary.