Summary
run {noun}
aanloop · vlucht · ren · wedloop
to run {verb}
werken · aanrijden · voorrijden · lopen · functioneren · het doen · in zijn werk gaan · zich uitstrekken · hardlopen · hollen · racen · rennen · snellen · gerend · gelopen · reiken
Usage examples
Our partners
Dutch-English translation for "run"
"run" English translation
run {noun}
run {noun}
Ik ben met name bezorgd over de aanloop naar de Olympische Spelen van 2012.
Die hele aanloop heeft tot een versteviging van de Oekraïnse samenleving geleid.
Het is zaak dat de Europese Unie een voorbeeldrol speelt in de aanloop naar Kyoto.
De kop van het artikel sprak voor zichzelf: " Derde aanloop naar referendum in Cuba ".
Maar als dat de waarheid is, waarom vlucht je dan?
Wie vlucht, wordt gedood.
Gabriel, vlucht!
de vlucht nemen
-- Voorzitter, commissaris, in Darfour zijn miljoenen mensen op de vlucht.
to run {verb}
Synonyms
Synonyms (English) for "run":
Usage examples
Similar translations for "run" in English
Ik bedoel het is niet zo dat ik hier een hotel run.
Ik run dit rif al voordat jij geboren was.

