Summary
wijken {verb}
to give way · to give up · to give in · to cede · to cease · to stop · to relinquish · to yield · to disappear
Synonyms
week: workweek · calendar week · hebdomad
Dutch-English translation for "week"
"week" English translation
week {noun}
Vandaag zet het Parlement een belangrijke stap, volgende week is de Raad aan zet.
Dit is een van de kernpunten waarover het Parlement zich deze week moet buigen.
Deze week alleen al zullen we waarschijnlijk tot 30.000 ton vlees moeten opslaan!
Ik vertrouw erop dat Roemenië aan het eind van deze week lid wordt van de NAVO.
Het ontwerpverdrag zal deze week in Dublin aan de Europese Raad worden voorgelegd.
week {adjective}
wijken {verb}
wijken {vb} (also: toegeven, afstaan, het veld ruimen, zwichten)
wijken {vb} (also: opgeven, afstand doen van, uitvallen, toegeven)
wijken {vb} (also: toegeven, afstaan, het veld ruimen, zwichten)
wijken {vb} (also: afstappen van, afzien van, toegeven, afstaan)
wijken {vb} (also: zwinden, verzwinden, m smeren, verdwijnen)
week {noun}
Vandaag zet het Parlement een belangrijke stap, volgende week is de Raad aan zet.
Dit is een van de kernpunten waarover het Parlement zich deze week moet buigen.
Deze week alleen al zullen we waarschijnlijk tot 30.000 ton vlees moeten opslaan!
Ik vertrouw erop dat Roemenië aan het eind van deze week lid wordt van de NAVO.
Het ontwerpverdrag zal deze week in Dublin aan de Europese Raad worden voorgelegd.
Synonyms
Synonyms (English) for "week":
© Princeton Universityworkweek · calendar week · hebdomad
Usage examples
Usage examples for "week" in English
Forum results
"week" translation - forum results
Similar words
weduwnaar · wee · weefde · weefden · weefgetouw · weefsel · weefster · weegbree · Weegschaal · weeheid · week · weekblad · weekdag · weekdier · weekdieren · weekeinde · weekend · weekendje · weekhartigheid · weekheid · weeklagen
More translations in the Russian-English dictionary.