English-Dutch translation for "got"

 

"got" Dutch translation

Results: 1-65 of 2831

got {verb}

got {pp}

gehaald {pp}

It went a whole life cycle, got too rusty to fly, and was taken out of service.

Die doorliep zijn levenscyclus, werd te verroest om te vliegen, en werd uit dienst gehaald.

I'm not sure I packed arsenic before I got snatched off the street.

Ik weet niet zeker of ik eerder arcenicum verpakt heb, ik werd van de straat gehaald.

So I got a degree and it turned out to be education.

Dat heb ik dus gehaald, en dat was dus een diploma in onderwijs.

In the end you got round to it after all.

Uiteindelijk hebt u de bocht toch nog net gehaald.

got {pp} (also: turned, became)

geworden {pp}

Today, with the enlargement of the European Union, the situation has not got better.

De situatie is er nu met de uitbreiding van de Europese Unie niet beter op geworden.

And the other thing you might argue is, "Well, car seats have got a lot better over time.

Verder zou je kunnen zeggen dat autozitjes mettertijd beter zijn geworden.

Largely through globalization, a lot of this equipment has got a lot cheaper.

Grotendeels door globalisering is een groot deel van deze apparatuur een stuk goedkoper geworden.

This is a serious row, and it has just got a lot bigger today.

Dit is een ernstige ruzie, en vandaag is ze nog een stuk ernstiger geworden.

The poster has got ragged and shabby and curling at the edges.

De poster is helemaal gerafeld en lelijk geworden en krult bij de hoeken.

got {pp}

gekregen (krijgen) {pp}

First of all, I am mightily relieved that we have got the vote through.

Ten eerste, ik ben enorm opgelucht dat we de stemming erdoor hebben gekregen.

The Portuguese, Greeks and southern Italians got a lot less than that.

De Portugezen, Grieken en inwoners van Zuid-Italië hebben aanzienlijk minder gekregen.

I got them a year and two weeks ago. ~~~ And this is just a silicon piece of skin.

Ik heb ze een jaar en twee weken geleden gekregen, En dit is gewoon een stukje siliconenhuid.

And the reason is that -- take Africa for example. ~~~ Africans have already got a lot of aid.

En de reden is - neem nu Afrika - Afrikanen hebben hopen hulp gekregen.

So the Netherlands got one more vote than Belgium in the Council.

Nederland heeft dus één stem meer gekregen dan België in de Raad.

to get {verb}

to get [got|got] {vb} (also: to realize, to understand, to grasp, to comprehend)

I got (Simple past)

ik begreep (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) begreep (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het begreep (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) begrepen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie begrepen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) begrepen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

begrepen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to understand, to realize, to hear)

verstaan {vb}

I got (Simple past)

ik verstond (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) verstond (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het verstond (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) verstonden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie verstonden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) verstonden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

verstaan (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to obtain, to achieve)

to get [got|got] {vb} (also: to achieve, to gain, to earn, to reach)

I got (Simple past)

ik behaalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) behaalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het behaalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) behaalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie behaalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) behaalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

behaald (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to obtain, to achieve, to gain)

I got (Simple past)

ik verkreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) verkreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het verkreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) verkregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie verkregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) verkregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

verkregen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to procure, to obtain, to achieve)

verwerven {vb}

I got (Simple past)

ik verwierf (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) verwierf (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het verwierf (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) verwierven (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie verwierven (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) verwierven (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

verworven (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to reach, to achieve)

I got (Simple past)

ik bereikte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) bereikte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het bereikte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) bereikten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie bereikten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) bereikten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

bereikt (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to reach, to pass, to achieve, to overtake)

I got (Simple past)

ik haalde in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) haalde in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het haalde in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) haalden in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie haalden in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) haalden in (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

ingehaald (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to reach, to achieve)

to get [got|got] {vb} (also: to see, to run across, to reach, to achieve)

treffen {vb}

I got (Simple past)

ik trof (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) trof (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het trof (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) troffen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie troffen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) troffen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

getroffen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to perform, to repair, to achieve, to act)

maken {vb}

I got (Simple past)

ik maakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) maakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het maakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) maakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie maakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) maakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gemaakt (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to perform, to achieve, to act, to do)

I got (Simple past)

ik deed (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) deed (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het deed (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) deden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie deden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) deden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gedaan (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to send for, to summon)

ontbieden {vb}

I got (Simple past)

ik ontbood (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) ontbood (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het ontbood (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) ontboden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie ontboden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) ontboden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

ontboden (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to entangle, to send for, to include, to implicate)

I got (Simple past)

ik betrok (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) betrok (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het betrok (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) betrokken (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie betrokken (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) betrokken (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

betrokken (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to send for, to call in)

to get [got|got] {vb} (also: to have, to receive, to touch)

toucheren {vb}

to get [got|got] {vb} (also: to pick up, to lay hold of, to take)

I got (Simple past)

ik vatte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) vatte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het vatte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) vatten aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie vatten aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) vatten aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

aangevat (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to pick, to pluck, to lay hold of, to pick up)

oprapen {vb}

to get [got|got] {vb} (also: to pick up, to fetch)

to get [got|got] {vb} (also: to procure)

I got (Simple past)

ik verschafte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) verschafte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het verschafte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) verschaften (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie verschaften (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) verschaften (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

verschaft (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to procure)

I got (Simple past)

ik verstrekte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) verstrekte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het verstrekte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) verstrekten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie verstrekten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) verstrekten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

verstrekt (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to end up)

I got (Simple past)

ik arriveerde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) arriveerde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het arriveerde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) arriveerden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie arriveerden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) arriveerden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gearriveerd (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to have, to receive)

krijgen {vb}

I got (Simple past)

ik kreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) kreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het kreeg (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) kregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie kregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) kregen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gekregen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to pick up, to lay hold of, to take)

nemen {vb}

I got (Simple past)

ik nam (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) nam (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het nam (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) namen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie namen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) namen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

genomen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to end up, to gain, to touch, to put on weight)

I got (Simple past)

ik kwam aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) kwam aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het kwam aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) kwamen aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie kwamen aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) kwamen aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

aangekomen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to enjoy, to receive, to have, to delight in)

I got (Simple past)

ik genoot (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) genoot (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het genoot (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) genoten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie genoten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) genoten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

genoten (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to procure, to deal, to distribute)

uitreiken {vb}

to get [got|got] {vb} (also: to receive, to read, to take in, to take)

ontvangen {vb}

I got (Simple past)

ik ontving (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) ontving (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het ontving (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) ontvingen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie ontvingen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) ontvingen (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

ontvangen (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to pick up, to send for, to hit, to strike)

I got (Simple past)

ik haalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) haalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het haalde (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) haalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie haalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) haalden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gehaald (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to lay hold of, to realize, to take, to understand)

vatten {vb}

I got (Simple past)

ik vatte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) vatte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het vatte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) vatten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie vatten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) vatten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gevat (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to pick up, to lay hold of, to pack, to take)

pakken {vb}

I got (Simple past)

ik pakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) pakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het pakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) pakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie pakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) pakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gepakt (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to grow, to become, to be, to arise)

worden {vb}

I got (Simple past)

ik werd (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) werd (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het werd (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) werden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie werden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) werden (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

geworden (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to strike, to meet, to catch, to become)

raken {vb}

I got (Simple past)

ik raakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) raakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het raakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) raakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie raakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) raakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

geraakt (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to purchase, to procure)

I got (Simple past)

ik schafte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) schafte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het schafte aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) schaften aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie schaften aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) schaften aan (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

aangeschaft (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to store, to buy, to procure)

to get [got|got] {vb} (also: to leave, to release, to omit, to fail)

laten {vb}

I got (Simple past)

ik liet (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) liet (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het liet (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) lieten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie lieten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) lieten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

gelaten (voltooid deelwoord)

to get [got|got] {vb} (also: to cause, to make)

to get [got|got] {vb} (also: to arrive, to attain, to come to)

I got (Simple past)

ik geraakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jij (je) geraakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

he/she/it got (Simple past)

hij/zij/het geraakte (onvoltooid verleden tijd (ovt))

we got (Simple past)

wij (we) geraakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

you got (Simple past)

jullie geraakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

they got (Simple past)

zij (ze) geraakten (onvoltooid verleden tijd (ovt))

got (Past participle)

geraakt (voltooid deelwoord)
 

Synonyms

Synonyms (English) for "get":

© Princeton Universitybeget · engender · father · mother · sire · generate · bring forth · suffer · sustain · have · contract · take · grow · develop · produce · acquire · make · let · become · go

 

Usage examples

Usage examples for "got" in Dutch

These sentences come from external sources and may not be accurate. bab.la is not responsible for their content. Read more here.

I got him!

Ik heb 'm!

I got you!

Ik heb je!

I got you!

Ik heb je.

I got you.

Ik heb je.

I got it.

Kies maar.

I got you!

Ik zie je!

I got 'em!

Ik heb ze.

I got it.

Ik heb 't.

I got you.

Ik heb je

Got it?

Heb je het?

I got it.

Ik heb het.

I got him!

Ik heb hem.

I got him!

Ik heb hem!

I got 'em.

Ik heb hem.

I got it!

Ik heb het!

I got him.

Ik heb hem.

You got it.

Je hebt 't.

You got me.

Je hebt me.

You got it.

Inderdaad.

You got it.

Je hebt em.
 

Forum results

"got" translation - forum results

Similar words

Gordian · gorge · gorgeous · Gorgon · gorilla · goshawk · gosling · gospel · gossamer · gossip · got · Goth · Gothenburg · Gothic · Goths · goulash · gourd · gout · governess · government · governor

Moreover bab.la provides the English-Indonesian dictionary for more translations.