Conjugate "aanmaken" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"aanmaken" conjugation

infinitief
dutch
  • aanmaken
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • maakte aan
voltooid deelwoord
dutch
  • aangemaakt

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
maak aan
jij/u (je)
maakt aan
hij/zij/het
maakt aan
wij (we)
maken aan
jullie
maken aan
zij (ze)
maken aan

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb aangemaakt
jij/u (je)
hebt aangemaakt
hij/zij/het
heeft aangemaakt
wij (we)
hebben aangemaakt
jullie
hebben aangemaakt
zij (ze)
hebben aangemaakt

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
maakte aan
jij/u (je)
maakte aan
hij/zij/het
maakte aan
wij (we)
maakten aan
jullie
maakten aan
zij (ze)
maakten aan

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had aangemaakt
jij/u (je)
had aangemaakt
hij/zij/het
had aangemaakt
wij (we)
hadden aangemaakt
jullie
hadden aangemaakt
zij (ze)
hadden aangemaakt

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal aanmaken
jij/u (je)
zult aanmaken
hij/zij/het
zal aanmaken
wij (we)
zullen aanmaken
jullie
zullen aanmaken
zij (ze)
zullen aanmaken

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal aangemaakt hebben
jij/u (je)
zult aangemaakt hebben
hij/zij/het
zal aangemaakt hebben
wij (we)
zullen aangemaakt hebben
jullie
zullen aangemaakt hebben
zij (ze)
zullen aangemaakt hebben

Translations (English) for "aanmaken"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.