Conjugate "aanrukken" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"aanrukken" conjugation

infinitief
dutch
  • aanrukken
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • rukte aan
voltooid deelwoord
dutch
  • aangerukt

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
ruk aan
jij/u (je)
rukt aan
hij/zij/het
rukt aan
wij (we)
rukken aan
jullie
rukken aan
zij (ze)
rukken aan

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb aangerukt
jij/u (je)
hebt aangerukt
hij/zij/het
heeft aangerukt
wij (we)
hebben aangerukt
jullie
hebben aangerukt
zij (ze)
hebben aangerukt

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
rukte aan
jij/u (je)
rukte aan
hij/zij/het
rukte aan
wij (we)
rukten aan
jullie
rukten aan
zij (ze)
rukten aan

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had aangerukt
jij/u (je)
had aangerukt
hij/zij/het
had aangerukt
wij (we)
hadden aangerukt
jullie
hadden aangerukt
zij (ze)
hadden aangerukt

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal aanrukken
jij/u (je)
zult aanrukken
hij/zij/het
zal aanrukken
wij (we)
zullen aanrukken
jullie
zullen aanrukken
zij (ze)
zullen aanrukken

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal aangerukt hebben
jij/u (je)
zult aangerukt hebben
hij/zij/het
zal aangerukt hebben
wij (we)
zullen aangerukt hebben
jullie
zullen aangerukt hebben
zij (ze)
zullen aangerukt hebben

Translations (English) for "aanrukken"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.