Conjugate "afnemen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"afnemen" conjugation

infinitief
dutch
  • afnemen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • nam af
voltooid deelwoord
dutch
  • afgenomen

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
neem af
jij/u (je)
neemt af
hij/zij/het
neemt af
wij (we)
nemen af
jullie
nemen af
zij (ze)
nemen af

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb afgenomen
jij/u (je)
hebt afgenomen
hij/zij/het
heeft afgenomen
wij (we)
hebben afgenomen
jullie
hebben afgenomen
zij (ze)
hebben afgenomen

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
nam af
jij/u (je)
nam af
hij/zij/het
nam af
wij (we)
namen af
jullie
namen af
zij (ze)
namen af

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had afgenomen
jij/u (je)
had afgenomen
hij/zij/het
had afgenomen
wij (we)
hadden afgenomen
jullie
hadden afgenomen
zij (ze)
hadden afgenomen

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal afnemen
jij/u (je)
zult afnemen
hij/zij/het
zal afnemen
wij (we)
zullen afnemen
jullie
zullen afnemen
zij (ze)
zullen afnemen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal afgenomen hebben
jij/u (je)
zult afgenomen hebben
hij/zij/het
zal afgenomen hebben
wij (we)
zullen afgenomen hebben
jullie
zullen afgenomen hebben
zij (ze)
zullen afgenomen hebben

Find out the most frequently used verbs in Dutch.