Conjugate "beheersen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"beheersen" conjugation

infinitief
dutch
  • beheersen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • beheerste
voltooid deelwoord
dutch
  • beheerst

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
beheers
jij/u (je)
beheerst
hij/zij/het
beheerst
wij (we)
beheersen
jullie
beheersen
zij (ze)
beheersen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb beheerst
jij/u (je)
hebt beheerst
hij/zij/het
heeft beheerst
wij (we)
hebben beheerst
jullie
hebben beheerst
zij (ze)
hebben beheerst

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
beheerste
jij/u (je)
beheerste
hij/zij/het
beheerste
wij (we)
beheersten
jullie
beheersten
zij (ze)
beheersten

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had beheerst
jij/u (je)
had beheerst
hij/zij/het
had beheerst
wij (we)
hadden beheerst
jullie
hadden beheerst
zij (ze)
hadden beheerst

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal beheersen
jij/u (je)
zult beheersen
hij/zij/het
zal beheersen
wij (we)
zullen beheersen
jullie
zullen beheersen
zij (ze)
zullen beheersen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal beheerst hebben
jij/u (je)
zult beheerst hebben
hij/zij/het
zal beheerst hebben
wij (we)
zullen beheerst hebben
jullie
zullen beheerst hebben
zij (ze)
zullen beheerst hebben

Translations (English) for "beheersen"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.