Conjugate "bevestigen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"bevestigen" conjugation

infinitief
dutch
  • bevestigen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • bevestigde
voltooid deelwoord
dutch
  • bevestigd

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
bevestig
jij/u (je)
bevestigt
hij/zij/het
bevestigt
wij (we)
bevestigen
jullie
bevestigen
zij (ze)
bevestigen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb bevestigd
jij/u (je)
hebt bevestigd
hij/zij/het
heeft bevestigd
wij (we)
hebben bevestigd
jullie
hebben bevestigd
zij (ze)
hebben bevestigd

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
bevestigde
jij/u (je)
bevestigde
hij/zij/het
bevestigde
wij (we)
bevestigden
jullie
bevestigden
zij (ze)
bevestigden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had bevestigd
jij/u (je)
had bevestigd
hij/zij/het
had bevestigd
wij (we)
hadden bevestigd
jullie
hadden bevestigd
zij (ze)
hadden bevestigd

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal bevestigen
jij/u (je)
zult bevestigen
hij/zij/het
zal bevestigen
wij (we)
zullen bevestigen
jullie
zullen bevestigen
zij (ze)
zullen bevestigen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal bevestigd hebben
jij/u (je)
zult bevestigd hebben
hij/zij/het
zal bevestigd hebben
wij (we)
zullen bevestigd hebben
jullie
zullen bevestigd hebben
zij (ze)
zullen bevestigd hebben

Find out the most frequently used verbs in Dutch.