Conjugate "bijbrengen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"bijbrengen" conjugation

infinitief
dutch
  • bijbrengen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • bracht bij
voltooid deelwoord
dutch
  • bijgebracht

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
breng bij
jij/u (je)
brengt bij
hij/zij/het
brengt bij
wij (we)
brengen bij
jullie
brengen bij
zij (ze)
brengen bij

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb bijgebracht
jij/u (je)
hebt bijgebracht
hij/zij/het
heeft bijgebracht
wij (we)
hebben bijgebracht
jullie
hebben bijgebracht
zij (ze)
hebben bijgebracht

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
bracht bij
jij/u (je)
bracht bij
hij/zij/het
bracht bij
wij (we)
brachten bij
jullie
brachten bij
zij (ze)
brachten bij

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had bijgebracht
jij/u (je)
had bijgebracht
hij/zij/het
had bijgebracht
wij (we)
hadden bijgebracht
jullie
hadden bijgebracht
zij (ze)
hadden bijgebracht

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal bijbrengen
jij/u (je)
zult bijbrengen
hij/zij/het
zal bijbrengen
wij (we)
zullen bijbrengen
jullie
zullen bijbrengen
zij (ze)
zullen bijbrengen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal bijgebracht hebben
jij/u (je)
zult bijgebracht hebben
hij/zij/het
zal bijgebracht hebben
wij (we)
zullen bijgebracht hebben
jullie
zullen bijgebracht hebben
zij (ze)
zullen bijgebracht hebben

Translations (English) for "bijbrengen"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.