Conjugate "bouwen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"bouwen" conjugation

infinitief
dutch
  • bouwen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • bouwde
voltooid deelwoord
dutch
  • gebouwd

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
bouw
jij/u (je)
bouwt
hij/zij/het
bouwt
wij (we)
bouwen
jullie
bouwen
zij (ze)
bouwen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb gebouwd
jij/u (je)
hebt gebouwd
hij/zij/het
heeft gebouwd
wij (we)
hebben gebouwd
jullie
hebben gebouwd
zij (ze)
hebben gebouwd

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
bouwde
jij/u (je)
bouwde
hij/zij/het
bouwde
wij (we)
bouwden
jullie
bouwden
zij (ze)
bouwden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had gebouwd
jij/u (je)
had gebouwd
hij/zij/het
had gebouwd
wij (we)
hadden gebouwd
jullie
hadden gebouwd
zij (ze)
hadden gebouwd

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal bouwen
jij/u (je)
zult bouwen
hij/zij/het
zal bouwen
wij (we)
zullen bouwen
jullie
zullen bouwen
zij (ze)
zullen bouwen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gebouwd hebben
jij/u (je)
zult gebouwd hebben
hij/zij/het
zal gebouwd hebben
wij (we)
zullen gebouwd hebben
jullie
zullen gebouwd hebben
zij (ze)
zullen gebouwd hebben

Translations (English) for "bouwen"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.