Conjugate "rijden" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"rijden" conjugation

infinitief
dutch
  • rijden
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • reed
voltooid deelwoord
dutch
  • gereden

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
rijd; rij
jij/u (je)
rijdt
hij/zij/het
rijdt
wij (we)
rijden
jullie
rijden
zij (ze)
rijden

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb gereden
jij/u (je)
hebt gereden
hij/zij/het
heeft gereden
wij (we)
hebben gereden
jullie
hebben gereden
zij (ze)
hebben gereden

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
reed
jij/u (je)
reed
hij/zij/het
reed
wij (we)
reden
jullie
reden
zij (ze)
reden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had gereden
jij/u (je)
had gereden
hij/zij/het
had gereden
wij (we)
hadden gereden
jullie
hadden gereden
zij (ze)
hadden gereden

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal rijden
jij/u (je)
zult rijden
hij/zij/het
zal rijden
wij (we)
zullen rijden
jullie
zullen rijden
zij (ze)
zullen rijden

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gereden hebben
jij/u (je)
zult gereden hebben
hij/zij/het
zal gereden hebben
wij (we)
zullen gereden hebben
jullie
zullen gereden hebben
zij (ze)
zullen gereden hebben

Translations (English) for "rijden"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.