Conjugate "stijgen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"stijgen" conjugation

infinitief
dutch
  • stijgen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • steeg
voltooid deelwoord
dutch
  • gestegen

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
stijg
jij/u (je)
stijgt
hij/zij/het
stijgt
wij (we)
stijgen
jullie
stijgen
zij (ze)
stijgen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
ben gestegen
jij/u (je)
bent gestegen
hij/zij/het
is gestegen
wij (we)
zijn gestegen
jullie
zijn gestegen
zij (ze)
zijn gestegen

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
steeg
jij/u (je)
steeg
hij/zij/het
steeg
wij (we)
stegen
jullie
stegen
zij (ze)
stegen

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
was gestegen
jij/u (je)
was gestegen
hij/zij/het
was gestegen
wij (we)
waren gestegen
jullie
waren gestegen
zij (ze)
waren gestegen

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal stijgen
jij/u (je)
zult stijgen
hij/zij/het
zal stijgen
wij (we)
zullen stijgen
jullie
zullen stijgen
zij (ze)
zullen stijgen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gestegen zijn
jij/u (je)
zult gestegen zijn
hij/zij/het
zal gestegen zijn
wij (we)
zullen gestegen zijn
jullie
zullen gestegen zijn
zij (ze)
zullen gestegen zijn

Find out the most frequently used verbs in Dutch.