Conjugate "wijken" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"wijken" conjugation

infinitief
dutch
  • wijken
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • week
voltooid deelwoord
dutch
  • geweken

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
wijk
jij/u (je)
wijkt
hij/zij/het
wijkt
wij (we)
wijken
jullie
wijken
zij (ze)
wijken

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb geweken
jij/u (je)
hebt geweken
hij/zij/het
heeft geweken
wij (we)
hebben geweken
jullie
hebben geweken
zij (ze)
hebben geweken

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
week
jij/u (je)
week
hij/zij/het
week
wij (we)
weken
jullie
weken
zij (ze)
weken

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had geweken
jij/u (je)
had geweken
hij/zij/het
had geweken
wij (we)
hadden geweken
jullie
hadden geweken
zij (ze)
hadden geweken

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal wijken
jij/u (je)
zult wijken
hij/zij/het
zal wijken
wij (we)
zullen wijken
jullie
zullen wijken
zij (ze)
zullen wijken

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal geweken hebben
jij/u (je)
zult geweken hebben
hij/zij/het
zal geweken hebben
wij (we)
zullen geweken hebben
jullie
zullen geweken hebben
zij (ze)
zullen geweken hebben

Translations (English) for "wijken"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.