Conjugate "zullen" - Dutch conjugation

Conjugation of have (Export PDF)

dutch"zullen" conjugation

infinitief
dutch
  • zullen
onvoltooid verleden tijd
dutch
  • zou
voltooid deelwoord
dutch
  • gezuld

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
zal
jij/u (je)
zult
hij/zij/het
zal
wij (we)
zullen
jullie
zullen
zij (ze)
zullen

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb gezuld
jij/u (je)
hebt gezuld
hij/zij/het
heeft gezuld
wij (we)
hebben gezuld
jullie
hebben gezuld
zij (ze)
hebben gezuld

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
zou
jij/u (je)
zou
hij/zij/het
zou
wij (we)
zouden
jullie
zouden
zij (ze)
zouden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had gezuld
jij/u (je)
had gezuld
hij/zij/het
had gezuld
wij (we)
hadden gezuld
jullie
hadden gezuld
zij (ze)
hadden gezuld

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal zullen
jij/u (je)
zult zullen
hij/zij/het
zal zullen
wij (we)
zullen zullen
jullie
zullen zullen
zij (ze)
zullen zullen

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gezuld hebben
jij/u (je)
zult gezuld hebben
hij/zij/het
zal gezuld hebben
wij (we)
zullen gezuld hebben
jullie
zullen gezuld hebben
zij (ze)
zullen gezuld hebben

Translations (English) for "zullen"

Find out the most frequently used verbs in Dutch.